zaterdag 19 maart 2011

Mevrouw van het Eijck – Verstooten (vervolg)

De zware fluwelen gordijnen vormen een fel contrast met de lieflijke harpmuziek die vanuit de geluidsboxen zachtjes door de kamer zweeft. Op het dressoir staan plastic flacons in de vorm van Onze Lieve Vrouwe van Lourdes, gevuld met heilig en heilzaam bronwater. Mevrouw van het Eijck gebruikt dat water dagelijks. Ze vertelt dat ze met natte kompressen op haar ogen haar vermoeidheid, zowel op fysiek alsook op zielsniveau, verdrijft. Ook heeft ze water dat door Jomanda werd ingestraald: ‘Dat werkt uitstekend tegen ontstoken tandvlees.’ Ze glimlacht, pakt een flesje en speelt er mee terwijl ze me ondoorgrondelijk aankijkt.

Ze weet dat ik getransplanteerd ben. Dat is immers de reden dat ik hier ben. Graag wilde ik iets meer weten over redenen waarom mensen tegen donorschap zijn. Ze heeft me meteen telefonisch laten weten dat ze een uitgesproken standpunt heeft. Ik heb me dan ook voorbereid op een confronterend gesprek.
Terwijl ze me vriendelijk de flacon met geheiligd water aanreikt, vervolgt ze haar betoog: ‘Mijn grootste bezwaar is dat men mensen behandelt als een object. Ik ben toch geen voorwerp waar men zomaar lichaamsdelen uit kan snijden? Je kunt toch niet zomaar onderdelen verplaatsten van het ene naar het andere lichaam? Ik ben toch geen auto?! Ik gun u alle gezondheid, maar dit technische gedrag duidt op onwetendheid. Het getuigt van een gebrek aan respect voor onze Schepper en Zijn schepping.Mijn lichaam is niet mijn eigendom. We zijn rentmeester!’
Ik voel een forse hoofdpijn opkomen en vraag me stilletjes af of ik dat genezend water zou kunnen gebruiken in combinatie met een forse pijnstiller.
Ze loopt weer naar tafel, pakt het boek waaruit ze eerder citeerde van tafel, blijft staan, kijkt op me neer, legt haar hand op mijn schouder en leest verder: ‘Als de donor is overleden, is hij etherisch nog wel op jou aangesloten. Het etherisch lichaam van de ander kan immers niet honderd procent functioneren want de zielskwaliteit die in zijn stoffelijk lichaam geaard was, heeft niet volledig mogen overgaan naar het onstoffelijk lichaam. Immers zijn hart klopt nog terwijl  het orgaan of  meerdere organen verwijderd worden.’
Het is stil in de kamer. Ze verbreekt haar fysieke contact met mij. Ik haal weer adem. Buiten schemert het. Teder verzet ze de fotolijst op tafel en zucht. Is die jonge man haar overleden zoon? Haar echtgenoot? Een beetje nijdig blaast ze naar de piek grijze haren voor haar ogen. Ze herschikt enkele haarspelden. Schenkt thee bij. Het blijft nog even stil.
Dan gaat ze zitten, trommelt weer zachtjes op het tafelblad en vervolgt haar voordracht: ‘Zolang het hart klopt, kan de ziel zich nimmer volledig terugtrekken in de geestelijke wereld en al zijn zielsenergie daarvoor verzamelen. Een deel van zijn zielskwalititeit is nog in het donororgaan aanwezig  en leeft voort in het lichaam van de ontvanger en wordt in de loop van de tijd steeds sterker vermengd met de energie van de donor. Er ontstaat zielsverstrengeling.’
Over haar leesbril kijkt ze me dwingend aan. Ze herhaalt het woord: ‘Zielsverstrengeling!’
De kamerdeur kraakt. Een prachtige, langharige en sneeuwwitte poes, een Birmaan, loopt parmantig naar binnen. Mauwt om aandacht. Springt op mijn schoot. Knort van tevredenheid.
Wij hadden ook zo’n poes. Ze overleed enkele maanden voor mijn levertransplantatie.
Mevrouw van het Eijck – Verstooten haalt even uit naar het beest: ‘Niet zomaar doen, schat, misschien vindt meneer dat niet prettig.’ Ik zeg dat ik gek ben op poezen. Zou haar willen vertellen hoe de onze zich telkens heel voorzichtig tegen mijn zieke lever vleide en uren lang stil bleef liggen. Zou haar willen vertellen hoe ik me sinds de transplantatie voel. Dat ik geen zielsverstrengeling voel. Dat haar verhaal me wezensvreemd voorkomt.
Resoluut pakt ze het dier op, plant het op haar eigen schoot, maar het beest springt weg en verlaat met opgeheven hoofd en staart de kamer.
Terwijl ze haar schatje nakijkt, zegt ze: ‘Na het overlijden dient enige tijd in acht genomen te worden voordat de persoon zijn gehele zielseenheid uit zijn organen en stoffelijk lichaam heeft teruggetrokken. Per persoon is de tijd die hiervoor nodig is verschillend, van enkele seconden tot enkele dagen. Dit vraagt aandacht en bewustwording naar hoe wij met de overledene om wensen te gaan. Ook in relatie tot donatie na definitieve hartstilstand, is dit belangrijk.’
Ik wil haar poes achterna. Ik sta op, steek mijn hand uit en verontschuldig me met enkele losse woorden. Moe. Hoofdpijn. Indrukken verwerken. Dank. Ik schuifel naar de deur.
Ze houdt mijn hand vast: ‘Mensen veranderen soms compleet na een transplantatie. Vertel mij wat. De zielsverstrengeling die, al of niet in grote mate, heeft plaatsgevonden moet onder ogen worden gezien.’
In de gang zie ik de witte poes die op de hoogste traptrede naar me staart. Kan een poes knipogen?
Haar baasje doet nog een laatste poging: ‘Als mijn leven met een dag zou worden verlengd ten koste van een ander menselijk leven, zou dat een onmetelijk kwaad betekenen. Sommige zaken kunnen niet zomaar worden verkwanseld of worden weggeredeneerd. En een van die dingen is ongetwijfeld het leven zelf.’
Over het tuinpad haast ik me weg van het huis. De flacon met geheiligd en genezend water laat ik in mijn jaszak glijden.
Thuis wacht mijn lief. Ik weet al wat hij gaat zeggen, als ik hem straks over mijn ontmoeting met mevrouw van het Eijck – Verstooten vertellen zal: ‘Lieverd, was het maar waar dat zo’n transplantatie jou veranderd had. Was dat maar waar…’
Lachend zal hij me een glas rode wijn inschenken.
Ik stap op mijn fiets.
Trappen tegen de wind in!
Naar huis. Vlug!

vrijdag 11 maart 2011

Mevrouw van het Eijck – Verstooten

Haar grijze haren springen - tientallen felrode haarspelden ten spijt - alle kanten op. Niet omdat het niet anders zou kunnen of willen. Waarschijnlijk is het een gecultiveerde slordigheid in het karakter van deze eigenzinnige en krasse dame. Ze draagt een halflange wijdvallende rok. Donkerrood met grote chrysantmotieven. Daarop een kimonoachtig zijden blouse. Zalmkleurig. Geen make-up. Wel een gezonde blos. Een sierlijke lange parelketting om haar hals en enkele gouden armbanden om beide polsen. De leesbril, een ontwerp voor gevorderden, hangt aan een gouden ketting. Een tweede felrode hoekige bril op haar neus. Een generatiegenote.

Donkere fluwelen gordijnen halveren het zicht op de winterse tuin en filteren het kille zonlicht. Haar halfduistere kamer geurt naar anijsthee. Overal staan weelderige varens in Jugendstil bloempotten. De ruimte wordt gedomineerd door een grote vleugel met openstaande klep. Stapels partituren met daarboven, tegen een ruw bepleisterde muur, een originele Mondriaan. Ze glimlacht als ik er naartoe loop: 'Eeen erfstuk,' glimlacht ze. Boekenplanken vol literatuur. Stapels opengeslagen boeken en tijdschriften op haar tafel.
Ze schenkt thee en presenteert een zilveren schaal met daarop een gulle hoeveelheid zelfgebakken tarwekoekjes. Met sesamzaad. Dan gaat ze zitten. Ik sta nog steeds naar de Mondriaanschildering in de matzwarte laklijst te kijken. Een schemerblauw landschapje met bijna abstracte kale bomen. Mevrouw blaast vergeefs een ongewillige pluk haar weg. Zal dat het komende half uur blijven doen. Haar handen maken een wegschuivend gebaar op het mosgroene kleed: dit is mijn ruimte om te denken, hier begint mijn recht tot spreken. Vervolgens maakt ze een uitnodigend gebaar. Ik zet me aan tafel.
‘Wat ik zo jammer vind,’ zegt ze, zonder aarzeling haar betoog beginnend, ‘is het simpele feit dat veel mensen niet op de hoogte zijn van de volledige waarheid en dat wervingscampagnes en donororganisaties er alles aan doen om die waarheid zorgvuldig te verdonkermanen.’
De antieke koperen lamp met negen armen, hangend boven de tafel, laat diffuus licht vallen op haar geaderde handen. Twee trouwringen aan haar ringvinger.
‘Het is allang bekend dat mensen door een donororgaan blijvend veranderen. Plotseling houden ze van sterke drank of bier, of  men lust plotseling varkensvlees terwijl men altijd vegetarisch was. En dat komt door het aura van de overleden donor. Die eigenschappen worden met het geschonken orgaan overgeërfd.’
Ik denk aan die ene onbekende die mijn leven voorgoed veranderde. Ik hecht eraan om te denken aan diens gulheid en altruïsme. Ik drink een slok thee en neem een sesamkoekje.
Mevrouw van het Eijck - Verstooten pakt een boek van de stapel, verandert van bril én stemgebruik, slaat het drukwerk open bij een hardroze papiertje en leest hardop: ‘De lever heeft een specifieke functie in verwerkingsprocessen. Eerst wordt opgeslagen wat nog niet verwerkt is en wat als het ware huiswerk voor de toekomst is. De lever kan symbolisch beschouwd worden als een keldergewelf waarin een voorraad spijzen ligt opgeslagen die nog geproefd en genuttigd dient te worden. Na de opslag dient dan in de tijd de verwerking plaats te vinden. Hoe bewuster iemand contact onderhoudt met het leven, hoe makkelijker de lever kan werken en in deze verwerking wordt de lever tijdig geschoond. Als het keldergewelf vanwege blokkades te vol is met onverwerkte zaken is er te weinig ruimte beschikbaar om nieuwe energie te genereren en raakt de lever zijn balans kwijt, waardoor hij zijn functie van doorbloeder ook niet meer goed uit kan oefenen.’
Zou het waar zijn dat ik vrijwel onbewust in mijn eigen leven stond? Mijn lever functioneerde immers bijna niet meer door mijn aangeboren Alpha 1 anti trypsine deficiëntie kwaal. Ik verslik me in een tweede koekje.
Haar linkerhand trommelt zachtjes en ritmisch met haar stem mee op tafel. De twee gladde ringen glanzen zacht. Naast de theepot op het verkadelichtje staat een portret in zwart-wit van een knappe man. De vrouw leest onvervaard verder: ‘De lever is gevoelig voor alle psychologische verwerkingen. De lever bevat als het ware de agenda voor het leven dat qua verwerking geleefd dient te worden. Na een levertransplantatie gaan de agenda’s van donor en ontvanger fors door elkaar lopen. Je kunt bijna geen contact meer krijgen met je eigen herinneringsopslag. Je leeft verder met de voorraad uit het keldergewelf van een ander. Je kent die vreemde spijzen niet die je nu te nuttigen krijgt. Het is niet het voedsel dat jouw leven nodig heeft en je raakt het spoor bijster: je herkent je eigen leven niet meer.’
Ik kan alleen maar denken aan de herinneringsopslag van mijn donor. Hopelijk had die in dat innerlijke keldergewelf nog veel ongebruikte creativiteit, medemenselijkheid en mededogen. En wat onverteerde beschermingsmechanismen. Daar kan ik nu wel wat van gebruiken. Intussen pak ik een derde sesamkoekje.
Daar heb ik altijd al van gehouden.

wordt vervolgd

dinsdag 22 februari 2011

IJdel?


Op 18 februari was het dan zover: mijn boek werd officieel gepresenteerd. Meer dan honderd genodigden vulden boekhandel Roelants in Nijmegen. Bekenden wuifden naar elkaar. Kusten elkaars wang. Stelden zich voor. Werden herkend. Maakten een praatje. Schudden mijn hand. Gaven een bloemetje. Een fles drank. Een liefdevolle attentie. 
Veertig minuten voor het eerste exemplaar officieel werd overhandigd aan Annemarie Brouwer, mijn internist die een second opinion deed en eindelijk de sleutel tot al mijn kwalen vond, werd de verkoop en de signeersessie alvast gestart. De mensen rond mij en mijn tafel bleven daar drentelen en er voor nieuwkomers geen doorkomen meer aan was.
Stapels boeken werden van een handtekening en - soms - een opdracht voorzien, bekenden fluisterden iets vriendelijks, ik moest duidelijk nog groeien in mijn rol van handetekening zettende auteur.
Samen met fluitist Pip van Steen presenteerde ik fragmenten uit het boek. De rol van verteller is mij bekender. Pip startte met demonische tonen en de hellehond uit de titel was meteen - kamerbreed- aanwezig.
Ik weet dat, zodra ik het slot van het boek voorlees, het doodstil wordt. De ontlading is dan groot. Ik vind het steeds een mooi moment. Ik vind het een mooi afrondend verhaal. IJdelheid? Trots!
Bekijk en beluister hier het bedoelde fragment door onderstaande link aan te klikken:
http://www.youtube.com/v/222ZPxmppvk?hl=en&fs=1

Op 20 februari praatte ik met Yko van der Goot op radio 5 in diens NCRV programma Schepper & Co. Beluister deze laatste uitzending via onderstaande link; het gesprek begint op 1'03''
http://schepperencoradio.ncrv.nl/

donderdag 17 februari 2011

Achterblijvers

Jan Boerstoel, een tekstschrijver die niet genoeg geroemd kan worden, schreef ooit Geen kind meer voor Karin Bloemen. Voor het fameuze cabaret Don Quishocking dichtte hij jaren eerder een prachtig lied, getiteld Achterblijvers, waarvan hier de laatste regels:

Achter blijven is een leven incompleet zijn
Achterblijven maakt de mooiste dood nog wrang
Zomaar dood gaan kan vaak als een vonnis wreed zijn
Maar wie achterblijft krijgt altijd levens-lang

Maar nooit een woord over de achterblijvers
Achterblijvers maken ons verlegen
Maar nooit een woord over de achterblijvers
Achterblijvers worden doodgezwegen

Wat was ik opgelucht toen ik bijkwam uit de narcose.
Ik kon het lezen op het gezicht van mijn partner: de transplantatie was gelukt.
Een golf van dankbaarheid jegens die onbekende donor overweldigde ons.
Ik had uit de erfenis van een gestorvene een lever gekregen.
Ik leef nog vanwege haar of zijn dood.
Hoe kan een mens zijn dankbaarheid tonen?
Ik ging schrijven. Eerst kwam er een boek. Over mij. Over wat mij overkwam. Iemand die overgeleverd was aan zichzelf en aan de dood. Iemand die nog nooit eerder zo concreet een ontmoeting had met de dood. Iemand die leerde om de gift van het leven nogmaals te ontvangen. Lange tijd stond ik, noodgedwongen, in het middelpunt. Ik moest en moet mezelf opnieuw uitvinden.
Nu schrijf ik korte beschouwingen. Ik geef interviews en ben een opzet voor een nieuw boek aan het maken. Een boek over De Anderen: artsen, familieleden, verplegend  personeel, mijn geliefde, therapeuten, politici, vrienden, zieken die wachten op een levensreddend donororgaan, donoren, achterblijvers…
Een onbekende donor gaf mij het leven door.
Die erfenis wil ik koesteren en uitdragen.
Om de dood van een geliefde minder wrang te maken.
Om donoren en hun achterblijvers een gezicht en een stem te geven.

donderdag 10 februari 2011

Minister Schippers en luiheid

Jaarlijks staan er in Nederland ongeveer dertienhonderd mensen op de wachtlijst voor een orgaantransplantatie. Honderdduizend positief ingevulde codicils zijn nodig om vijf tot acht donoren te ‘krijgen’. Voor tenminste tweehonderd wachtenden komt, elk jaar opnieuw, een orgaandonatie te laat. Willen we doodzieke mensen een hernieuwde levenskans bieden, dan zullen we er dus voor moeten zorgen dat we enkele miljoenen (!) positief ingevulde codicils binnenhalen. Wat dat betreft zijn de resultaten, behaald tijdens de donorweek in de afgelopen herfst, ten enenmale niet toereikend.
Ik begrijp uit publicaties dat het aantal codicilhouders sinds 2009 stabiel is gebleven.
Door de onduidelijkheid van zeven miljoen Nederlanders - zij hebben geen keus gemaakt of laten die over aan hun nabestaanden - gaan er jaarlijks zo’n tweehonderdvijftig potentiële donoren ‘verloren’.
Als onlangs getransplanteerde begrijp ik heel goed dat zieke Nederlanders uitwijken naar landen waar donorschap beter is geregeld. In België, Oostenrijk en Spanje kent men een Actieve Donor Registratie. Iedereen is donor, tenzij hij of zij aangeeft het niet te willen zijn. Door dit, wat een rotwoord, orgaantoerisme brengen deze patiënten, ongewild en ongewenst, wachtende patiënten uit die landen zelf in een penibeler situatie.
Op 8 februari heeft Minister Schippers van Volksgezondheid in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer laten weten geen wijziging in het systeem van donorregistratie door te voeren. Zij beschouwt ‘een systeemwijziging als een inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht van burgers, die alleen is gerechtvaardigd als dit resulteert in een substantiële toename van het aantal donoren.’
In de Volkskrant van vrijdag 11 februari schrijft Esther-Mirjam Sent, hoogleraar economische theorie aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, ten aanzien van argumenten van het kabinet over voorgenomen beleidswijzigingen het volgende: 'Ouders moeten zelf kunnen kiezen naar welke school hun kinderen gaan. Studenten moeten zelf hun onderwijskansen kunnen grijpen. Mensen moeten zelf kunnen kiezen of ze hun organen na hun dood ter beschikking willen stellen.' Verderop schrijft ze: 'We moeten keuzes in goede banen leiden (...) Oftewel, wil het kabinet dat we optimaal gebruik maken van de geboden keuzemogelijkheden, dan dient ze ons te beschermen tegen onze onwetendheid en luiheid (...)'
De minister heeft ten aanzien van donorregistratie de moed niet gehad om af te wijken van de lijn van haar voorgangers. Ze heeft net als haar voorgangers te weinig oor gehad voor schrijnende verhalen en te weinig oog voor feiten, cijfers en kansen. Daarmee laat ze, lijkt mij, een kans liggen om te komen tot een humaner en volwassener donorbeleid.
Pieter van de Rest, die na járen wachten eindelijk een harttransplantatie onderging, vertelt in zijn pas verschenen boek over alle ellende en kwaliteitsverlies van leven waarmee niet alleen hij, maar ook zijn vrouw en hun drie dochtertjes te maken kregen.
Ik prijs mijn geliefden, mijn familieleden en mezelf gelukkig dat ik in 2009 maar twee dagen op de wachtlijst hoefde te staan. Op zeer korte termijn was een levertransplantatie noodzakelijk omdat ik bijna dood ging. Gelukkig zijn er veel mensen die zich zelfs na hun eigen dood, humaan en onzelfzuchtig, om anderen blijven bekommeren door tijdens hun leven een ‘ja’ codicil  te hebben ondertekend. Het verhaal van Pieter en anderen leert mij hoeveel angst, onmacht, pijn en (fysiek en emotioneel) leed mij en mijn intimi bespaard is gebleven.
Door onze organen na onze dood aan te bieden aan iemand die ernstig ziek is, zijn wij in staat om - als geschenk aan anderen - het leven zelf door te mogen geven. Een volwassen land zou een dergelijke houding als nastrevenswaardig moeten willen beschouwen. De overheid zou dergelijk volwassen gedrag moeten helpen ontwikkelen.
Deze erfenis van onbaatzuchtigheid heeft mijn donor aan mij doorgegeven. Die houding zal ik, namens hem of haar, blijven uitdragen. Ik zal individuen aansporen om hun codicil met een hartstochtelijk ‘ja’ in te durven vullen. Ook zal ik alles wat in mijn vermogen ligt doen om de politiek te overtuigen van de noodzaak voor een andere wetgeving!

donderdag 3 februari 2011

De gulheid van een onbekende

Ik heb mijn leven te danken aan een onbekende die dood is. Iemand die ooit had besloten dat na diens dood alles wat nog in goede staat verkeerde, gebruikt mocht worden om de levenskwaliteit van een ander te vergroten of iemands leven te redden. Ik mocht van die onbekende zijn of haar lever hebben. Gelukkig zijn er artsen die zo bekwaam zijn dat ze een mens een ander hart, een andere lever of longen of nieren of hoornvliezen kunnen geven. Door een van die vele gulle gevers en door zo’n specialist werd mijn leven gered.
   Op 18 december 2009 bleek dat alleen een levertransplantatie op zeer korte termijn mijn leven zou kunnen redden. Ik kwam meteen bovenaan de wachtlijst gezien de acute levensbedreiging en na twee dagen was er een lever beschikbaar! Nu, dertien maanden later, ben ik er heel wat beter aan toe. Ik loop, fiets, zwem en train weer, rijd weer auto om familie en vrienden te bezoeken, pak voorzichtig weer wat klussen aan, en publiceer deze maand mijn boek over deze transplantatie. Er is dan ook, bij mijzelf, bij mijn partner, familieleden en intieme vrienden een onbeschrijflijke dankbaarheid jegens die ene onbekende!
   In Nederland is een chronisch tekort aan mensen die donor willen zijn. Uit onderzoek blijkt dat veel mensen weliswaar bereid zijn na te denken over donorschap, ja, zelfs donorschap een warm hart toedragen, en toch... Veel minder mensen dan je op basis van dat gegeven zou verwachten, hebben zich ook daadwerkelijk als donor laten registreren.
   Nadenken over donorschap betekent nadenken over je eigen kwetsbaarheid en betekent ook nadenken over je eigen sterfelijkheid: ‘Wat mag een ander van mij hebben, als ik er niet langer gebruik van maken kan?’
   Een forse meerderheid geeft aan graag gebruik te maken van een donororgaan als dit nodig zou zijn. Toch hebben nog steeds zeven miljoen Nederlanders zich niet ingeschreven! Uit gemakzucht? Uit onverschilligheid? Uit onwetendheid? Uit angst? Uit principe? We kunnen slechts gissen naar de redenen.
   Buurland België kent het Actieve Donor Register. Eenieder is donor, tenzij hij of zij anders beslist. In Nederland is het tegenovergestelde het geval. Er zijn tienduizend ‘ja’-codicils nodig om uiteindelijk één donor te ‘krijgen’. Nederland, met zestien miljoen inwoners, levert per jaar dertien orgaandonoren per miljoen inwoners. België daarentegen, tien miljoen inwoners, levert per jaar zesentwintig orgaandonoren jaar per miljoen inwoners. Het dubbele aantal per miljoen inwoners. België doet het dus veel beter. Gevolg is dat Nederlanders die hier op de wachtlijst staan als, met een cynisch woord, orgaantoeristen uitwijken naar onze zuiderburen. Daardoor wordt het voor de Belgen zelf, die hun zaak wél op orde hebben, moeilijker om een transplantatie te ondergaan. Voor hen wordt, door onze gebrekkige regelgeving, de wachtlijst langer. Het wordt hoog tijd dit te veranderen.
   Nee, acties onder aanvoering van Bekende Nederlanders voor het verzamelen van twee miljoen handtekeningen zijn niet voldoende.
   Ja, ‘de hoge heren van de politiek’ moeten aangesproken worden. Zij moeten na zoveel jaar eindelijk eens overgaan tot het introduceren van het Actieve Donor Register.
   Tot dan kunnen wij natuurlijk wachten tot die ‘heren’ een andere wet  invoeren. En afreizen naar België. Of Oostenrijk. Maar waarom wachten op de politiek met het zelf beslissen over jouw nalatenschap? Waarom zoiets kostbaars als het mogen doorgeven van leven overlaten aan regelgeving?
   Ik heb mijn leven letterlijk te danken aan de gulheid van een volstrekt onbekende!
   Ik ben er nog.
   Het leven is er nog.

maandag 31 januari 2011

première!

Theaterhotel Figi in Zeist. De laatste zondag van januari, een grijze namiddag. De feestelijke première van de documentaire Surabaya's hidden treasures over laat negentiende en vroeg twintigste eeuwse Nederlandse architectuur in Surabaya op Oost-Java. Een paar honderd gasten, kleurige kleding, karakteristieke koppen, vrolijke oneliners. Een kakofonie van hartelijke begroetingen, luide lachsalvo's, gefluisterde roddels.
   Er wordt op blozende wangen of over elkaars schouder gezoend, mensen lopen nog even snel dwars door de centrale hal om een verloren gewaande kennis in een verre hoek te begroeten. Gefascineerd volg ik deze rituele begroetingsdans met klapzoenen in het luchtledige.
   We worden uitgenodigd om in de filmzaal plaats te nemen. Mobieltjes worden - op verzoek - monddood gemaakt. Mét het licht dooft het enthousiaste gekwetter. Beelden van een miljoenenstad. Gamelanmuziek. In een aangenaam tempo glijdt de camera door gerestaureerde en halfgesloopte architectonische juweeltjes. De versleten marmeren vloer van een immense villa imponeert, mede door de cameravoering. Een verstofte kroonluchter lijkt traag te smelten. Vanaf de daken van een fraai onderhouden ziekenhuis plenst een tropische regenbui op de tegels.
   Mijn gedachten dwalen af. De ploeg die noest en gedreven drie jaar aan deze documentaire werkte, heeft als eerstvolgende grote klus het oog op mijn manuscript een hellehond van pluche laten vallen. Valt daar een pakkend docudrama van te maken? Welke inpact zal het boek trouwens hebben op de lezer? In december hadden we al een vraaggesprek voor de radio. Wat zal men straks schrijven? De afgelopen dagen heb ik de eerste afspraken met journalisten gemaakt. Hoe zal dat boek worden ontvangen? Op 11 februari verschijn ik in een talkshow van TV Gelderland. Morgen zal ik worden gebeld door een grote tv-maatschappij over eventuele deelname aan een mogelijke serie over transplantatie en donorschap. Op 7 februari draaien we een trailer voor You Tube...
   Op het enorme scherm verschijnt de aftiteling. Er zijn dankwoordjes. Er is applaus. Enorme boeketten  in plastic folie gewikkelde bloemen. Klaterend water gutst in stralen uit die fraaie bloemenhulde. Ik kijk naar de mensen op het podium. Hoe zal deze ploeg vaklui met mijn verhaal omgaan? De zaal stroomt leeg. Ik laat me meedrijven.
   Moe van het kijken en tevreden over het gebodene, leun ik in de hal tegen een pilaar, een glas bubbeltjes op een statafeltje voor me. Er wordt met fonkelende glazen vol prosecco getoast op de fraaie productie en geanimeerd gepraat over de prachtige filmbeelden en de schoonheid van architectonisch verval. Een aangeschoten dame trekt een tafelkleedje mèt kopjes èn glazen mee in haar wankele gang. Ik hoor flarden commentaar op het Rotterdamse Filmfestival ('Véél films, véél publiek!') en op het laatste boek van Grunberg ('Véél pagina's!').  
   Enkele meters verderop staat de regisseuse te praten met haar filmproducent, de geluidsman en een scenarioschrijfster. Straks zal ik me bij hen voegen. Nu praten ze nog over deze documentaire. Ik pak alvast mijn halfvolle glas. Een binnenkomertje om te proosten.
   Ik zal ze feliciteren met deze productie.